In 2016 kocht ik op de beurs in Ranst bij Antwerpen een oud motorolieblik, waar volgens het opschrift ‘Harley-Davidson Pre-Luxe Motorcycle Oil’ in had gezeten. Waarom? Nou, gewoon voor de heb. Ik had namelijk al een blik waar bovengenoemde olie in had gezeten, maar dan met een andere opdruk en kleuren.

Het blik begon aan een zwerftocht door het huis, totdat ik een kennis met dezelfde interesse op bezoek kreeg. Ik liet het blik aan hem liet zien en wonder boven wonder kon ik het andere blik ook vrij snel vinden, zodat we de tekst op beide blikken konden bestuderen.

Behalve de mededeling dat de olie speciaal gemaakt was voor luchtgekoelde 4-takt motoren, een perfecte smering in alle snelheden gaf, de motor schoonhield en voorkwam dat de motor vervuilde, stond er onderaan een vermelding dat de olie in drie diktes leverbaar was:

58 Special Light; te gebruiken in alle motoren beneden 32 F (0º C.)

75 Medium Heavy; te gebruiken in alle motoren bij normaal gebruik tussen 32 F en 75 F (0 tot 24º C.)

105 Regular Heavy; te gebruiken in alle motoren bij temperaturen boven de 75 F(24º C.) en bij zware belasting van de motor bij elke temperatuur.

Tot slot stond er dat op het deksel de dikte te lezen was.

Ons probleem was, dat wij deze dikte-aanduidingen helemaal niet kenden, want in de manuals van de legermotoren stond immers olie SAE 50 te gebruiken. Wij verdachten Harley ervan zelf  een olie-aanduiding te hebben verzonnen.

Enkele dagen later ontving ik een e-mail van dezelfde kennis. Hij had een vergelijkingtabel gevonden.

Harley-Davidson gebruikte de zogenaamde Saybolt viscositeit-aanduiding, iets uit lang vervlogen tijden.

De vergelijkingstabel was duidelijk; Grade 75 zou overeenkomen met SAE 40, Grade 75 was net nog SAE 50 maar tegen SAE 60 aan en Grade 105 was SAE 60, maar tegen SAE 70 aan.

Maar hoe komen wij dan aan SAE 50 als de motorolie voor onze Harleys? Het antwoord is simpel: de Harley-Davidson Motor Company sloot begin jaren ’40 forse leveringscontracten af met o.a. de Amerikaanse, Canadese en Zuid-Afrikaanse overheid voor de levering van legermotorfietsen. Behalve motorfietsen werden ook reserve-onderdelen geleverd, plus de noodzakelijke knowhow in de vorm van  instructie- en onderdelenboeken, technische trainingen voor de berijders en onderhoudsmonteurs.

Een van de eerste punten waarop de berijder zijn motorfiets dagelijks moest controleren was het olieniveau. Was het niveau te laag, dan moest er olie van de voorgeschreven dikte worden bijgevuld.

Maar er was een probleem; de door de Harley-Davidson voorgeschreven motorolie voor zware belasting, de 105 Regular Heavy (SAE 60), werd in geen enkel ander legervoertuig gebruikt. Wegens een logistiek probleem bleek het onmogelijk om deze olie op de ‘Supplylist’ te krijgen. Wel waren er voertuigen in gebruik die SAE 50 als motorolie gebruikten.

In overleg met het War Department besloot Harley-Davidson SAE 50 voor de temperaturen boven 0 Cº voor te schrijven, SAE 30 voor temperaturen van 0 tot -15 Cº en SAE 10 voor temperaturen lager dan -15 Cº.

Nu  ruim 75 jaar na afloop van WWII rijden vrijwel alle bezitters van oudere Harleys nog steeds met SAE 50, dus feitelijk te dunne olie, in hun motor. Uiteraard is in de loop van de jaren de kwaliteit van olie verbeterd, maar een verkeerde olie kan een reden zijn voor roken, lekkage en olieverbruik, speciaal bij motoren met gietijzeren cilinders die toch altijd flink warmte vasthouden.

En dan niet te vergeten de moderne benzine. Men heeft er als vervanger van zwavel, ethanol aan toe gevoegd. Hierdoor wordt de benzine schraler, wat de motorsmering ook niet ten goede komt.

Ik ga toch eens met SAE 60 rijden en kijken of er verbeteringen merkbaar zijn.

Door: een WLA rijder